NederlandsA2

Verb Reference

100 Key Dutch Verbs

All essential A2-level Dutch verbs in present, past, and perfect tense. Master these and you can express almost anything.

How to use this guide: Regular verbs follow predictable patterns — learn the rules, then the exceptions. Modal verbs (can, must, want) have a special column. Click any row to hear pronunciation (browser speech synthesis).
Filter:
Infinitive Meaning Present (hij/zij) Past (ik) Past Participle Type
zijn to be is was geweest irregular
hebben to have heeft had gehad irregular
worden to become wordt werd geworden irregular
kunnen can / to be able kan kon gekund modal
willen to want wil wilde gewild modal
moeten must / to have to moet moest gemoeten modal
mogen may / to be allowed mag mocht gemogen modal
zullen shall / will zal zou gezuld modal
gaan to go gaat ging gegaan irregular
komen to come komt kwam gekomen irregular
doen to do doet deed gedaan irregular
zien to see ziet zag gezien irregular
weten to know (fact) weet wist geweten irregular
kennen to know (person) kent kende gekend regular
denken to think denkt dacht gedacht irregular
vinden to find / to think vindt vond gevonden irregular
zeggen to say zegt zei gezegd irregular
horen to hear hoort hoorde gehoord regular
staan to stand staat stond gestaan irregular
liggen to lie ligt lag gelegen irregular
zitten to sit zit zat gezeten irregular
lopen to walk loopt liep gelopen irregular
rijden to drive rijdt reed gereden irregular
werken to work werkt werkte gewerkt regular
wonen to live woont woonde gewoond regular
leven to live (alive) leeft leefde geleefd regular
eten to eat eet at gegeten irregular
drinken to drink drinkt dronk gedronken irregular
kopen to buy koopt kocht gekocht irregular
verkopen to sell verkoopt verkocht verkocht irregular
betalen to pay betaalt betaalde betaald regular
kosten to cost kost kostte gekost regular
helpen to help helpt hielp geholpen irregular
vragen to ask vraagt vroeg gevraagd irregular
antwoorden to answer antwoordt antwoordde geantwoord regular
spreken to speak spreekt sprak gesproken irregular
lezen to read leest las gelezen irregular
schrijven to write schrijft schreef geschreven irregular
leren to learn leert leerde geleerd regular
studeren to study studeert studeerde gestudeerd regular
begrijpen to understand begrijpt begreep begrepen irregular
luisteren to listen luistert luisterde geluisterd regular
kijken to watch/look kijkt keek gekeken irregular
zoeken to search zoekt zocht gezocht irregular
vinden to find vindt vond gevonden irregular
maken to make maakt maakte gemaakt regular
bouwen to build bouwt bouwde gebouwd regular
openen to open opent opende geopend regular
sluiten to close sluit sloot gesloten irregular
geven to give geeft gaf gegeven irregular
nemen to take neemt nam genomen irregular
brengen to bring brengt bracht gebracht irregular
sturen to send stuurt stuurde gestuurd regular
ontvangen to receive ontvangt ontving ontvangen irregular
betaald to pay betaalt betaalde betaald regular
heten to be called heet heette geheten regular
beginnen to begin begint begon begonnen irregular
eindigen to end eindigt eindigde geëindigd regular
stoppen to stop stopt stopte gestopt regular
wachten to wait wacht wachtte gewacht regular
vertrekken to depart vertrekt vertrok vertrokken irregular
aankomen to arrive komt aan kwam aan aangekomen irregular
reizen to travel reist reisde gereisd regular
verblijven to stay verblijft verbleef verbleven irregular
eten to eat eet at gegeten irregular
koken to cook kookt kookte gekookt regular
doen to do doet deed gedaan irregular
spelen to play speelt speelde gespeeld regular
slapen to sleep slaapt sliep geslapen irregular
opstaan to get up staat op stond op opgestaan irregular
aankleden to get dressed kleedt aan kleedde aan aangekleed irregular
douchen to shower douchte douchte gedoucht regular
betalen to pay betaalt betaalde betaald regular
reserveren to reserve reserveert reserveerde gereserveerd regular
bellen to call belt belde gebeld regular
mailen to email mailt mailde gemaild regular
vergeten to forget vergeet vergat vergeten irregular
onthouden to remember onthoudt onthield onthouden irregular
geloven to believe gelooft geloofde geloofd regular
hopen to hope hoopt hoopte gehoopt regular
proberen to try probeert probeerde geprobeerd regular
moeten to have to moet moest gemoeten modal
plannen to plan plant plande gepland regular
kiezen to choose kiest koos gekozen irregular
beslissen to decide beslist besliste beslist regular
veranderen to change verandert veranderde veranderd regular
groeien to grow groeit groeide gegroeid regular
leven to live leeft leefde geleefd regular
sterven to die sterft stierf gestorven irregular
vallen to fall valt viel gevallen irregular
staan to stand staat stond gestaan irregular
hangen to hang hangt hing gehangen irregular
tonen to show toont toonde getoond regular
betekenen to mean betekent betekende betekend regular
uitleggen to explain legt uit legde uit uitgelegd irregular
vertellen to tell vertelt vertelde verteld regular
bespreken to discuss bespreekt besprak besproken irregular
bedanken to thank bedankt bedankte bedankt regular
excuseren to apologize excuseert excuseerde geëxcuseerd regular
feliciteren to congratulate feliciteert feliciteerde gefeliciteerd regular
Regular verb pattern: Drop -en, add endings: ik werk, jij werkt, hij werkt, wij werken. Past tense: add -te/-de (depending on the stem's last consonant — use the 't kofschip rule).

The 't Kofschip Rule

To decide if a regular past tense gets -te or -de, check the last consonant of the verb stem. If it appears in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), use -te. Otherwise use -de.

-TE verbs (kofschip)

werken → werkte (stem: werk)
stoppen → stopte (stem: stop)
kopen → kocht (irregular)

-DE verbs (others)

wonen → woonde (stem: woon)
leven → leefde (stem: leef→leev)
reizen → reisde (stem: reis)
Practice Verb Conjugation →