All essential A2-level Dutch verbs in present, past, and perfect tense. Master these and you can express almost anything.
How to use this guide: Regular verbs follow predictable patterns — learn the rules, then the exceptions. Modal verbs (can, must, want) have a special column. Click any row to hear pronunciation (browser speech synthesis).
Filter:
Infinitive
Meaning
Present (hij/zij)
Past (ik)
Past Participle
Type
zijn
to be
is
was
geweest
irregular
hebben
to have
heeft
had
gehad
irregular
worden
to become
wordt
werd
geworden
irregular
kunnen
can / to be able
kan
kon
gekund
modal
willen
to want
wil
wilde
gewild
modal
moeten
must / to have to
moet
moest
gemoeten
modal
mogen
may / to be allowed
mag
mocht
gemogen
modal
zullen
shall / will
zal
zou
gezuld
modal
gaan
to go
gaat
ging
gegaan
irregular
komen
to come
komt
kwam
gekomen
irregular
doen
to do
doet
deed
gedaan
irregular
zien
to see
ziet
zag
gezien
irregular
weten
to know (fact)
weet
wist
geweten
irregular
kennen
to know (person)
kent
kende
gekend
regular
denken
to think
denkt
dacht
gedacht
irregular
vinden
to find / to think
vindt
vond
gevonden
irregular
zeggen
to say
zegt
zei
gezegd
irregular
horen
to hear
hoort
hoorde
gehoord
regular
staan
to stand
staat
stond
gestaan
irregular
liggen
to lie
ligt
lag
gelegen
irregular
zitten
to sit
zit
zat
gezeten
irregular
lopen
to walk
loopt
liep
gelopen
irregular
rijden
to drive
rijdt
reed
gereden
irregular
werken
to work
werkt
werkte
gewerkt
regular
wonen
to live
woont
woonde
gewoond
regular
leven
to live (alive)
leeft
leefde
geleefd
regular
eten
to eat
eet
at
gegeten
irregular
drinken
to drink
drinkt
dronk
gedronken
irregular
kopen
to buy
koopt
kocht
gekocht
irregular
verkopen
to sell
verkoopt
verkocht
verkocht
irregular
betalen
to pay
betaalt
betaalde
betaald
regular
kosten
to cost
kost
kostte
gekost
regular
helpen
to help
helpt
hielp
geholpen
irregular
vragen
to ask
vraagt
vroeg
gevraagd
irregular
antwoorden
to answer
antwoordt
antwoordde
geantwoord
regular
spreken
to speak
spreekt
sprak
gesproken
irregular
lezen
to read
leest
las
gelezen
irregular
schrijven
to write
schrijft
schreef
geschreven
irregular
leren
to learn
leert
leerde
geleerd
regular
studeren
to study
studeert
studeerde
gestudeerd
regular
begrijpen
to understand
begrijpt
begreep
begrepen
irregular
luisteren
to listen
luistert
luisterde
geluisterd
regular
kijken
to watch/look
kijkt
keek
gekeken
irregular
zoeken
to search
zoekt
zocht
gezocht
irregular
vinden
to find
vindt
vond
gevonden
irregular
maken
to make
maakt
maakte
gemaakt
regular
bouwen
to build
bouwt
bouwde
gebouwd
regular
openen
to open
opent
opende
geopend
regular
sluiten
to close
sluit
sloot
gesloten
irregular
geven
to give
geeft
gaf
gegeven
irregular
nemen
to take
neemt
nam
genomen
irregular
brengen
to bring
brengt
bracht
gebracht
irregular
sturen
to send
stuurt
stuurde
gestuurd
regular
ontvangen
to receive
ontvangt
ontving
ontvangen
irregular
betaald
to pay
betaalt
betaalde
betaald
regular
heten
to be called
heet
heette
geheten
regular
beginnen
to begin
begint
begon
begonnen
irregular
eindigen
to end
eindigt
eindigde
geëindigd
regular
stoppen
to stop
stopt
stopte
gestopt
regular
wachten
to wait
wacht
wachtte
gewacht
regular
vertrekken
to depart
vertrekt
vertrok
vertrokken
irregular
aankomen
to arrive
komt aan
kwam aan
aangekomen
irregular
reizen
to travel
reist
reisde
gereisd
regular
verblijven
to stay
verblijft
verbleef
verbleven
irregular
eten
to eat
eet
at
gegeten
irregular
koken
to cook
kookt
kookte
gekookt
regular
doen
to do
doet
deed
gedaan
irregular
spelen
to play
speelt
speelde
gespeeld
regular
slapen
to sleep
slaapt
sliep
geslapen
irregular
opstaan
to get up
staat op
stond op
opgestaan
irregular
aankleden
to get dressed
kleedt aan
kleedde aan
aangekleed
irregular
douchen
to shower
douchte
douchte
gedoucht
regular
betalen
to pay
betaalt
betaalde
betaald
regular
reserveren
to reserve
reserveert
reserveerde
gereserveerd
regular
bellen
to call
belt
belde
gebeld
regular
mailen
to email
mailt
mailde
gemaild
regular
vergeten
to forget
vergeet
vergat
vergeten
irregular
onthouden
to remember
onthoudt
onthield
onthouden
irregular
geloven
to believe
gelooft
geloofde
geloofd
regular
hopen
to hope
hoopt
hoopte
gehoopt
regular
proberen
to try
probeert
probeerde
geprobeerd
regular
moeten
to have to
moet
moest
gemoeten
modal
plannen
to plan
plant
plande
gepland
regular
kiezen
to choose
kiest
koos
gekozen
irregular
beslissen
to decide
beslist
besliste
beslist
regular
veranderen
to change
verandert
veranderde
veranderd
regular
groeien
to grow
groeit
groeide
gegroeid
regular
leven
to live
leeft
leefde
geleefd
regular
sterven
to die
sterft
stierf
gestorven
irregular
vallen
to fall
valt
viel
gevallen
irregular
staan
to stand
staat
stond
gestaan
irregular
hangen
to hang
hangt
hing
gehangen
irregular
tonen
to show
toont
toonde
getoond
regular
betekenen
to mean
betekent
betekende
betekend
regular
uitleggen
to explain
legt uit
legde uit
uitgelegd
irregular
vertellen
to tell
vertelt
vertelde
verteld
regular
bespreken
to discuss
bespreekt
besprak
besproken
irregular
bedanken
to thank
bedankt
bedankte
bedankt
regular
excuseren
to apologize
excuseert
excuseerde
geëxcuseerd
regular
feliciteren
to congratulate
feliciteert
feliciteerde
gefeliciteerd
regular
Regular verb pattern: Drop -en, add endings: ik werk, jij werkt, hij werkt, wij werken. Past tense: add -te/-de (depending on the stem's last consonant — use the 't kofschip rule).
The 't Kofschip Rule
To decide if a regular past tense gets -te or -de, check the last consonant of the verb stem. If it appears in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), use -te. Otherwise use -de.